Veilige waterleiding begint bij ontwerp

Veilige waterleiding begint bij ontwerp

Er worden veel onnodige fouten gemaakt bij de aanleg van drinkwaterinstallaties in nieuwbouw. Deze fouten leiden tot faalkosten en problemen, zoals legionellabesmetting.

 Er bestaan duidelijke wetgeving, normen en richtlijnen voor de aanleg van drinkwaterinstallaties en voor legionellapreventie. Toch worden er in de praktijk veel onnodige fouten gemaakt. Dat begint al met het ontwerp, waaronder de locatie van de watermeter en de invoer van de dienstleiding. Zo wordt bijvoorbeeld bij sterk zakkende grond vaak onder de begane grond vloer een lus in de aansluitleiding aangebracht. Dan is een kruipluik noodzakelijk om bij een calamiteit de leiding te kunnen vervangen. Dat luik wordt echter vaak wordt vergeten.

 De praktijk wijst uit dat veel zaken vooraf onvoldoende worden besproken met het plaatselijke drinkwaterbedrijf. Dat is wel nodig, aangezien de bemeteringswijze en het aansluitbeleid per bedrijf kunnen verschillen. Het is verstandig de gemaakte afspraken schriftelijk vast te leggen.

Ruimte voor watermeters

De architect moet in het ontwerp uiteraard een ruimte opnemen voor de watermeter(s). Wordt bij een woongebouw met meer wooneenheden gekozen voor een collectieve watermeter voor het hele gebouw en/of individuele watermeters voor elke woning? Bij individuele bemetering is er dan nog de keuze tussen decentrale plaatsing (een meter in elke woning) of centrale plaatsing in één opstelruimte met vandaaruit individuele binnenleidingen naar de wooneenheden. Dit laatste wordt ook wel kerstboomopstelling genoemd.

Beide opstellingswijzen hebben zo hun eigen problematiek met betrekking tot regelmatige verversing, toegankelijkheid voor het aflezen van de meter en het handhaven van drinkwatertemperaturen onder 25 °C.

Wordt er een service-aansluiting voor gebruik door de schoonmaakdienst gewenst, zorg dan dat u een extra watermeter aanvraagt. Hierop kunnen dan tevens de brandslanghaspels in parkeergarages worden aangesloten. Het juist aansluiten van brandslanghaspels is beschreven in Waterwerkblad WB4.5A (www.infodwi.nl).

Drukverhoging

In hoogbouw is een drukverhogingsinstallatie noodzakelijk. Vaak voldoet de opstelruimte van de drukverhogingsinstallatie niet aan de voorschriften. In veel gevallen is de ruimte te klein, onvoldoende geventileerd en in de zomer te warm vanwege een verkeerde geveloriëntatie (ruimte direct op het zuiden of westen). Ook kunnen geluid en trillingen worden doorgegeven naar de woningen en wordt een afvoerput vaak vergeten. In Waterwerkblad 4.3 staat beschreven waar deze ruimte aan moet voldoen.

drukverhognigMen kan ervoor kiezen om alleen de hoger gelegen verdieping op de drukverhogingsinstallatie aan te sluiten en de laagste verdiepingen te voeden met de druk uit het openbare drinkwaternet. Dit geeft een besparing op het elektriciteitsgebruik en de drukverhogingsinstallatie kan kleiner zijn. Betreft het torenbouw dan moeten er meer drukgroepen worden gecreëerd met meerdere drukverhogingsinstallaties of meerdere reduceerventielen. Als een bypass om de drukverhogingsinstallatie is aangebracht, zorg dan dit deel tussen afsluiters is geplaatst en afgetapt kan worden. Er kan ook worden overwogen om de bypass weg te laten.

Aansluiting

De aansluitleiding van een wooneenheid vanaf de stijgleiding moet zo kort mogelijk zijn. Een woning moet worden aangesloten met een afsluiter en een EA beveiliging (controleerbare keerklep). Deze voorkomt dat eventueel (besmet of vervuild) water via de collectieve leiding terug kan stromen naar de overige woningen.

Daktuin

Steeds meer gebouwen hebben een daktuin. Deze moet worden besproeid. Als daarvoor ondergrondse sproeiers worden gebruikt moeten die worden aangesloten via een zogenoemde AA-beveiliging, ofwel een breektank. Als er in een trappenhuis werkkasten zijn met watertappunten moet regelmatige verversing zijn geborgd. Een automatische spui is hiertoe een optie.

Voorkomen van hotspots

bwe005_wate04.JPGHet is van groot belang om in een woningcomplex de waterleidingen naar de individuele appartementen zo aan te leggen dat ‘hotspots’ worden voorkomen. Een hotspot is een waterleiding waarin het water door externe verwarmingsbronnen onbedoeld kan opwarmen tot boven 25 °C. Hotspots kunnen bijvoorbeeld gemakkelijk ontstaan als de individuele voedingsleidingen in de worden gelegd en ingestort, waarin ook cv-leidingen of vloerverwarmingsleidingen lopen.

Als leidingen worden aangebracht in kokers of onder vloeren dan moeten deze bereikbaar en vervangbaar zijn. Als leidingen worden ingestort, maak dan foto’s voordat de dekvloer wordt gestort, zodat het exacte tracé altijd terug te vinden is.

Ook in woningen moet sterk worden gelet op het voorkomen van hotspots. Die ontstaan bijvoorbeeld als CV-leidingen te dicht in de buurt lopen van waterleidingen. Zorg dat in de woningen de installatie wordt ontworpen en aangelegd conform ISSO/SBR-publicatie 811 met hotspotvrije zones, ofwel koele zones voor de waterleidingen, waarin dus geen CV-leidingen mogen lopen. Hiervoor is vroegtijdige afstemming nodig tussen de architect, aannemer, CV- en watertechnisch installateur. In een later stadium worden de oplossing steeds moeilijker. Het kan zelfs gebeuren dat na oplevering de dekvloer moet worden opgebroken om kruisingen van cv- en waterleidingen in de vloer te verwijderen (over faalkosten gesproken!).

Collectieve warmwatervoorziening

In bovenomschreven deel is uitgegaan van een individuele warmwatervoorziening. Bij een collectieve warmwatervoorziening worden woningen aangesloten via een warmwatermeter. Dit is geen meter van het waterleidingbedrijf. De afrekening loopt dan ook via de vereniging van eigenaren of de woningbouwvereniging. Op deze installaties zijn speciale veiligheidseisen van toepassing die te vinden zijn in de Waterwerkbladen. Voorkomen moet worden dat er onverwachts warm water van 60° uit de kraan komt door het wegvallen van de druk op het koude water.

Bij stadsverwarming kan het warme tapwater eventueel direct of via een warmtewisselaar worden geleverd. Deze warmtewisselaar wordt meestal opgesteld in de meterkast. Voor deze meterkasten bestaan speciale richtlijnen in NEN 2768 voor voldoende ventilatie. De onderzijde van de kast, waar de watermeter zit, blijft daardoor koel. Helaas wordt dit vaak over het hoofd gezien.

Legionellapreventie

De eigenaar van het gebouw is verantwoordelijk voor het collectieve leidingdeel tot aan de aansluiting van de woning. Om te controleren of de installatie legionellaveilig functioneert, kan men er voor kiezen om onder begeleiding van een watertechnisch adviseur een legionellabemonstering uit te laten voeren. Dit is overigens niet verplicht voor woongebouwen. Als het een zorgcomplex betreft moet een legionella- risicoanalyse en beheersplan worden opgesteld door een BRL6010 gecertificeerd bedrijf.

Doorstromend

doorstromendBinnen de woning verdient het aanbeveling om alle tappunten doorstromend aan te sluiten, met als laatste het toilet, eventueel met spuiklepje. Een wasbakje in een toiletruimte wordt vaak niet gebruikt en is te beschouwen als een dode leiding, met de nodige risico’s. Dat zelfde geldt voor het CV-vulpunt. Dit is vaak een dode voedingsleiding omdat dit tappunt slechts incidenteel wordt gebruikt. Zorg dat de voedingsleiding doorstromend is aangesloten. Ook mogen geen leidingdelen door een warm ketelhuis lopen.

Opleveren

 Tijdens de bouw worden leidingen op dichtheid afgeperst. Als hiervoor vuil water van een bouwwaterleiding wordt gebruikt, is daar al kans op bacteriegroei in de leidingen (niet alleen legionella). Tegenwoordig bestaat ook de mogelijkheid om de leidingen af te persen met olievrije lucht of stikstof. Na het realiseren van de wateraansluiting, moet ervoor worden gezorgd dat de leidingen één keer per week gespoeld worden, totdat de bewoners het pand betrekken.

2017-07-27T10:14:58+01:00